FAQ

RES

  • Waarom een Regionale Energiestrategie?

    Het maken van een RES, is een activiteit die is opgenomen in het landelijke
    Klimaatakkoord. Zowel de IPO, UvW als de VNG hebben hier eind 2019 hun
    handtekening onder gezet.

  • Hoe verhoudt de RES zich tot het Regionale Energieakkoord?

    Op 27 september 2017 ondertekenden achttien partijen het Energieakkoord
    Holland Rijnland. Dit waren de destijds nog veertien gemeenten van de
    regio Holland Rijnland, de provincie Zuid-Holland, de ODWH, het hoogheemraadschap van Rijnland en Holland Rijnland. Deze partijen werken sindsdien samen aan de regionale ambitie om in 2050 een
    energieneutrale regio te zijn. Het Energieakkoord stelt concrete tussendoelen voor 2025. Het Energieakkoord vormt de basis voor de RES. Dit is vastgelegd in de Startnotitie ‘Van Energieakkoord naar RES’. De tussendoelen uit het Energieakkoord hebben wij doorgetrokken en vertaald naar 2030. Zo sluiten wij aan op de eisen die de RES stelt.

  • Van wie komt de opdracht voor de RES en wie geeft er uitvoering aan?

    De RES volgt uit het aanbod van de koepels (VNG, IPO en Unie van
    Waterschappen) aan het nieuwe kabinet, waarin ze aangeven te
    willen samenwerken “Naar een duurzaam Nederland”. Dit leidde tot samenwerking
    aan een landelijk Klimaatakkoord en de daaraan verbonden
    RES opgave. Decentrale overheden in de regio (gemeenten, waterschappen en provincie) maken zelf een RES in hun
    RES-regio. Zij betrekken daarbij maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven in de regio. De gemeenten en provincies besluiten zelf over de verankering van de RES in hun Omgevingsbeleid (Omgevingsvisie,
    Omgevingsplan/Omgevingsverordening). De waterschappen benutten hiervoor
    het waterbeheerprogramma en kunnen desgewenst een eigen
    Waterschapsomgevingsvisie opstellen.

  • Uit welke partijen bestaat de RES-regio?

    De RES-regio Holland Rijnland bestaat uit dertien gemeenten: Alphen aan
    den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De gemeenten werken samen met de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH), het hoogheemraadschap van Rijnland, netbeheerder Liander en de provincie Zuid-Holland aan de RES.

  • Wat staat er in de RES?

    In de RES staat beschreven welke strategie de RES-regio hanteert om
    lokale/regionale energiedoelstellingen te bepalen en te behalen. De RES
    heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050. Concrete zaken
    opgenomen in de RES Holland Rijnland, zijn:
     

    • Een bod voor het aandeel op te wekken van hernieuwbare elektriciteit in TerraWattuur (TWh) 

    • Een beschrijving van de toekomstige Regionale Warmtestructuur 

    • Een CO2- reductie doelstelling en een actieplan voor duurzame mobiliteit (o.a. laadinfrastructuur) 

    • Een doelstelling voor energiebesparing en een overzicht van de activiteiten die gemeenten in dit kader (kunnen) uitvoeren 

    Voor wat betreft de opwek van elektriciteit is door het Rijk aangegeven dat alle aanbiedingen van de regio’s voor duurzame opwek op moeten tellen tot 35 TWh. Als dat niet zo is, dan wordt de resterende opgave alsnog tussen de regio’s verdeeld. 

  • Wat is de meerwaarde van de RES?

    • De meerwaarde van de RES zit daarnaast in het bundelen van capaciteit en kennis tussen decentrale overheden ten aanzien van het energiebeleid, netwerk, stakeholders etc. 

    • Tot slot maakt de RES regionaal maatwerk mogelijk door samen met alle actoren te kijken wat waar mogelijk is.

  • Wat is de juridische status van de regionale inzet?

    De regionale inzet wordt vastgelegd in de gemeentelijke en/of provinciale omgevingsvisie en in de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan. Daarmee worden de afspraken uit de RES ruimtelijk geborgd. Het Klimaatakkoord is niet vrijblijvend. Met het ruimtelijk juridisch instrumentarium zijn de projectie en de uitvoer van projecten die bijdragen tot het behalen van klimaatakkoorddoelstellingen afdwingbaar. We moeten echter te allen tijde voorkomen dat we dit instrumentarium moeten inzetten. Het NPRES is gericht op ondersteunen en elkaar helpen bij het halen van de nationale en regionale doelstellingen.

  • Wat gebeurt er als wij de gestelde ambities niet halen?

    Er wordt op landelijk niveau straks gekeken in hoeverre de RES'en optellen tot de landelijke ambitie voor 2030. Vervolgens wordt er nauw gemonitord hoe de verduurzamingsinzet in de praktijk uitwerkt. Op zowel regionaal als landelijk niveau vindt er bijsturing plaats als de doelstellingen niet worden gehaald.

  • Hoe verhoudt de RES zich tot het gemeentelijke beleid?

    Na vaststelling van de RES 1.0 is het aan de gemeente om deze te verankeren in haar lokale beleid. Ruimtelijk betekent dat in omgevingsvisies, -plannen of -programma’s. Daarnaast stelt elke gemeente in 2021 een Transitievisie Warmte op.

  • Uit welke partijen bestaat de RES-regio?

    De RES-regio Holland Rijnland bestaat uit dertien gemeenten: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De gemeenten werken samen met de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH), het hoogheemraadschap van Rijnland, netbeheerder Liander en de provincie Zuid-Holland aan de RES.

  • Hoe ziet de planning van de RES eruit?

  • Hoe zijn inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties betrokken bij de RES?

    In onze regio lag er al een concept RES, in de vorm van het Energieakkoord Holland Rijnland. Met dat akkoord als basis is de concept RES opgesteld. Dat is ambtelijk en bestuurlijk gebeurd. Maar er zijn de afgelopen periode ook veel regionale partijen bij betrokken. De keuze is gemaakt om burgerparticipatie pas in de tweede fase, naar een RES 1.0, te laten plaatsvinden. Anders zou het gesprek nog te abstract blijven. Er is in deze fase nog niets beslist. De besluitvorming over de RES 1.0 vindt pas medio 2021 plaats. De gemeenten bepalen zelf hoe het participatieproces er uit komt te zien. In september 2020 ligt er een participatieplan dat op hoofdlijnen beschrijft waarover er participatie plaatsvindt en op welke wijze.

    In de regio hanteren we verschillende vormen om maatschappelijke organisaties en marktpartijen te betrekken bij de energietransitie en dus ook bij de RES. Hieronder vindt u een korte beschrijving van deze verschillende vormen.

    Programmaraad
    De Programmaraad heeft een adviserende rol in de planvorming rondom de energietransitie. De Programmaraad heeft daarnaast een belangrijke rol in de uitvoering en borging van de diverse uitvoeringslijnen. Tot nu toe is de Programmaraad tweemaal bijeengekomen.

    De Programmaraad bestaat op dit moment uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, grootverbruikers van energie, organisaties voor natuur en recreatie, potentiële aanbieders van energie, kennisinstituten, vertegenwoordigende organisaties van burgers of inwoners, het waterbedrijf en koepelorganisaties zoals Rijnland Wonen. Ook volksvertegenwoordigers kunnen desgewenst aansluiten bij de Programmaraad.

    Warmtetafel
    Bij het opstellen van de RES en het bespreken van kansen en mogelijkheden voor warmte, betrekken we graag diverse stakeholders. Het gaat om: woningcorporaties, energiecoöperaties, bedrijvenverenigingen, milieuorganisaties en nuts-, netwerk- en warmtebedrijven. De dialoog willen we voeren via een regionaal Warmtenetwerk aan een periodiek te organiseren Warmtetafel. Aan die tafel houden wij alle betrokkenen op de hoogte van de RES en gaan we met de verschillende stakeholders daarover in gesprek. Een ander doel van de warmtetafel is het delen van kennis. Iedereen heeft de gelegenheid om initiatieven of kennis te delen die onze warmtetransitie verder kan helpen.

    Website Wij Zijn ON (Op weg naar Neutraal)
    Op onze openbare website Wij Zijn ON (www.wijzijnon.nl) is onder andere informatie te vinden over alle uitvoeringslijnen, de voortgang hiervan en de stand van zaken rondom de RES. Ook delen we voorbeelden vanuit de regio. De regio voorziet niet uitgebreid in communicatie en participatie van inwoners (uitgezonderd de Programmaraad). Dit is een taak van de individuele gemeenten.

Ruimte en Energie

  • Er zijn momenteel twee denkrichtingen beschreven in de RES. Wat zijn de verschillen daartussen? En moeten we niet naar één denkrichting toe voor de gehele regio?

    De denkrichtingen zijn mogelijke toekomstbeelden voor de regio Holland Rijnland, die zich richten op de ruimtelijke vertaling van de opwek van duurzame elektriciteit: wat zijn mogelijkheden om wind- en zonne-energie binnen de regio een plek te geven om de gestelde ambitie te halen? De denkrichtingen zijn een middel om de gesprekken binnen de regio te voeden over hoe de regionale ambitie kunnen waarmaken voor opwek van zonne- en windenergie. Elk scenario geeft op een bepaalde manier invulling aan die ambitie voor wat betreft de periode tot 2030. In het verlengde van het Klimaatakkoord wordt een Regionale Energiestrategie voor Holland Rijnland opgesteld. Het bestaande Energieakkoord uit 2017 vormt hiervoor de basis. Op onderdelen vraagt dit om nadere uitwerking, zoals de opwek van duurzame elektriciteit.

    Een denkrichting laat een mogelijk toekomstbeeld zien. Het laat zien wat er gebeurt als we bepaalde keuzes maken. Om te komen tot de twee denkrichtingen, kijken we naar de verschillende manieren waarop energie kan worden opgewekt. Iedere bron – wind of zon – kent diverse mogelijke vormen en plekken waar opwekking kan plaatsvinden. Windturbines kunnen immers in een rij langs een weg staan, geconcentreerd  op een plek of individueel, bijvoorbeeld bij een agrarisch bedrijf . Zo zijn er heel veel combinaties te maken bij de keuze voor een vorm en een locatie. Ieder van deze mogelijkheden noemen we een ‘bouwsteen’.  Door het combineren van bouwstenen die passen bij het thema van de denkrichting, kijken we hoe de ruimtelijk en energetische vertaling van de denkrichting kan uitpakken. Hiermee wordt niet gekozen voor een locatie waar bijvoorbeeld een zonneveld moet komen, het laat zien waar in de regio de mogelijkheid bestaat om een zonneveld te ontwikkelen. De kaart laat dus gebieden zien waar de gekozen bouwstenen een plaats kunnen krijgen. De mate waarin het zoekgebied wordt benut – het percentage – staat bovendien nog niet vast; als we met het totaal van de gekozen bouwstenen maar komen aan de beoogde 1,03 TWh duurzame opwekking. Er is met de denkrichtingen dus nog veel ruimte voor keuzes en gelijktijdig wordt duidelijk dat met de keuze voor bepaalde bouwstenen een ruimtelijk inrichtingsprincipe wordt gevolgd. Met de denkrichtingen worden kansrijke gebieden voor duurzame opwekking aangewezen, maar waar de exacte locaties liggen, bepalen we pas later in het proces.

    De denkrichtingen kwamen tot stand op basis van input van diverse betrokkenen. Al in 2018 vond op verschillende manieren interactie plaats omtrent het onderwerp Ruimte en Energie. Zowel in ateliers met ambtelijke experts als in zogenaamde ‘Serious Games’ met regionale stakeholders is de opgave verkend. Dat gebeurde ook met raadsleden, op subregionaal niveau en in sommige gevallen op lokaal niveau. De rode draden van die bijeenkomsten leidden tot de bestuurlijke wens dat in elk geval opwek van zonne- en windenergie langs (weg)infrastructuur nadere uitwerking verdient. Op verzoek van de regionale bestuurders zijn vervolgens ook andere zoekrichtingen benoemd, bijvoorbeeld op basis van bestaande landschappelijke structuren.

    De voorliggende denkrichtingen tonen aan dat de regionale ambitie voor 2030 realistisch en haalbaar is. Nog los van de precieze manier waarop deze invulling krijgt. Elke denkrichting laat volop ruimte voor nadere keuzes: de gemarkeerde (zoek)gebieden zullen maar voor een beperkt deel daadwerkelijk worden ingezet. Dat betekent ook dat de exacte plaatsen binnen de denkrichtingen op dit moment nog niet zijn bepaald. Daarover vindt de komende periode tot aan de definitieve RES (eind 2020) participatie plaats met een groot aantal partijen op regionaal en lokaal niveau.

  • Hoe gaan we verder met de denkrichtingen? Moeten we niet alvast een denkrichting vast stellen?

    Het proces om te komen tot één denkrichting vindt plaats op een hoog abstractieniveau. Daarom laten we  de participatie in deze fase verlopen via de volksvertegenwoordigers (gemeenteraden, verenigde vergadering en Provinciale Staten). Zodra er één denkrichting is, wordt de ruimtelijke impact concreter. Dit leent zich beter voor participatie met inwoners, bedrijven en andere betrokken partijen. Binnen een denkrichting is echter nog veel ruimte voor keuzes van energiebronnen en locaties. Door het kiezen voor één ruimtelijke denkrichting wordt de verwachte ruimtelijke impact concreter.  Waardevolle elementen uit de andere denkrichting kunnen ook nog een plek krijgen in de nieuwe denkrichting. We willen uiteindelijk tot één denkrichting komen door eerst nog een kritische toets uit te voeren op de ingezette bouwstenen, goed te kijken naar de wensen en bedenkingen van de volksvertegenwoordigers en oog te hebben voor een meer evenredige verhouding tussen opwekking van elektriciteit door wind en opwekking door zon.

  • Als ruimtelijke restricties worden herzien vanuit de RES, hoe vindt dat dan plaats?

    De ruimtelijke restricties komen vanuit Rijk, provincie en gemeenten. In de Stuurgroep RES hebben de provincie en gemeenten zitting; herbezinning van de restricties is daar de komende periode een belangrijk gespreksonderwerp. En mocht het nodig zijn, dan wordt ook met het Rijk dit gesprek gevoerd. Voor de definitieve RES moeten we er knopen over doorhakken. Als de huidige restricties blijven staan, zal het huidige, regionale bod naar verwachting een stuk lager uitvallen.

  • Bij de keuze voor toekomstige zoekgebieden en -locaties ben je afhankelijk van initiatiefnemers en grondeigenaren. Hoe neemt de regio of gemeente actie om het traject met hen goed te doorlopen?

    We willen in de RES 1.0 zoekgebieden opnemen die de initiatiefnemers sturen. Om initiatiefnemers ook op de relatief korte termijn al zoveel mogelijk te informeren en te ondersteunen, is het aan de gemeenten om eventuele belemmeringen in hun regelgeving al zoveel mogelijk weg te nemen. Ook kan de gemeente een faciliterende rol vervullen in gesprekken met andere partijen zoals (hogere/andere) overheden of netbeheerders.

  • Wat is de potentie in Holland Rijnland voor zon op grote daken?

    Dat is nog niet helder op dit moment. In het Energieakkoord zijn we uit gegaan van alle geschikte daken en kwamen we uit op een ambitie van 0,25 TWh in 2025 en 0,33 TWh in 2050. Het onderscheid tussen zon op grote daken (die meetellen voor het bod in de RES) en kleine daken bestond toen echter nog niet. In aanloop naar de RES 1.0 brengen we de potentie daarvan meer gedetailleerd in kaart.

  • Waarom is een verhouding 1:1 tussen wind en zon ideaal, zoals Liander stelt in de Concept RES?

    Grofweg kan worden gesteld dat het opwekken van elektriciteit met zon en wind elkaar in balans houden. Overdag is er meer zonne-energie en 's nachts meer wind. Waarbij uiteraard ook het energieverbruik overdag (met opwek van wind en zon) ook hoger is dan 's nachts. Liander zou op basis van de huidige denkrichtingen deze verhouding graag meer in balans hebben zodat het netwerk meer gelijkmatig wordt belast.

  • Kan de vergrote netbelasting met veel zon deels worden opgevangen door meer opslag en lokale energienetten?

    Opslag van energie en lokale energienetten kunnen inderdaad een oplossing zijn voor de vergrote netbelasting. Met name omdat hiermee de piekbelastingen op het elektriciteitsnet kunnen worden opgevangen en verdeeld. Maar hiervoor zijn ook aanpassingen aan wetgeving noodzakelijk. In Boskoop wordt momenteel de haalbaarheid van zo’n oplossing onderzocht.

  • Waarom wordt in de Concept RES niet gesproken over kernenergie?

    Kernenergie is niet zozeer een regionale oplossing. In Nederland kan het nu op drie locaties waarvoor ook aanvullende vergunningen kunnen worden aangevraagd: Borsele 2, Maasvlakte en Delfzijl.

    Verder is aangegeven dat de RES niet over kernenergie gaat, maar dat kernenergie - net als alle andere vormen van energieopwekking - na 2030 als optie blijft bestaan. Het is daarmee niet meer ‘waard’ dan bijvoorbeeld energie uit osmose of andere nieuwe vormen van winning. Het staat dus niet expliciet op de agenda, het wordt echter niet op voorhand uitgesloten.

Warmte

  • Is de restwarmte vanuit Rotterdam niet grotendeels afkomstig van zaken rondom fossiele brandstof en daarom geen duurzame bron?

    Dat is momenteel inderdaad nog het geval. Maar de CO2 uitstoot van die opwek wordt toegerekend aan de Rotterdamse bronnen en het gebruik van die warmte vervangt fossiele bronnen hier. En het idee van het warmtenet is dat de fossiele brandstoffen van de Rotterdamse industrie ook verduurzaamd worden. Het warmtenet kan op termijn  - bij een afname van warmte uit Rotterdam – ook worden gevoed door warmte van bijvoorbeeld geothermie.

  • Is de restwarmte uit Rotterdam ook op de langere termijn verzekerd en is er voldoende voor Zuid-Holland?

    Er is nu 76 PJ restwarmte ‘over’ in het Rotterdamse havengebied. Holland Rijnland heeft daar ca. 3 PJ van nodig. Dus zelfs als de beschikbare hoeveelheid met bijvoorbeeld de helft zou afnemen, blijft er nog altijd genoeg beschikbaar. 

  • Waarom wordt er gekozen voor geothermie? Is dit een duurzame oplossing? En zijn hier private initiatieven voor nodig?

    Een geothermiebron is eindig. Geothermie zelf niet, omdat er bijna oneindig veel warmte in de aarde aanwezig is. Om nieuwe warmtebronnen te ontwikkelen is ook privaat initiatief nodig. Deze initiatieven zullen op wenselijkheid en realisme getoetst worden. Via onder andere vergunningsprocedures heeft de overheid daarin een belangrijke rol. Daarin zullen de aanwezige risico's zorgvuldig worden afgewogen en meegenomen  in het besluitvormingsproces. In onze regio speelt bijvoorbeeld drinkwaterproductie in de duinen een belangrijke rol, waardoor het hoogheemraadschap en Dunea  een belangrijke rol zullen hebben in de besluitvorming en eventuele projectrealisatie.

  • Hoe voorkom je dat welwillende burgers zich afwachtend opstellen omdat het onduidelijk is waar de gemeenten op in gaan zetten wat betreft warmte?

    Voor inwoners is momenteel de gemeentelijke Transitievisie Warmte het meest relevant. Die visie sluit aan bij de regionale visie op warmte in de RES 1.0. We raden gemeenten aan om hun Transitievise Warmte zo snel mogelijk op te stellen en niet te wachten tot eind 2021. De komende periode zullen we met het communicatie- en participatietraject hier gericht op inspelen.

  • Hoe houdt de RES rekening met het feit dat mensen met een minder brede beurs niet de mogelijkheid hebben om zelf een oplossing te kiezen voor duurzame warmte en/of elektriciteit?

    We hebben bij het opstellen van de RES vooral gekeken naar maatschappelijke kosten. Welke warmtebron heeft als geheel de laagste kosten? Het is nog niet duidelijk wat de afnemer uiteindelijk gaat betalen. Veel hangt nog af van nationaal en gemeentelijk beleid. Vaak wordt er gezegd 'mensen moeten zelf ook de vrijheid hebben om te besluiten wat voor soort duurzame energie zij in hun wijk willen'. Dan zijn het in de praktijk vaak de meer vermogende individuen die hier initiatieven voor ontwikkelen. Als je dat soort initiatieven dus volop stimuleert, is er de mogelijkheid dat delen van wijken 'achterblijven' omdat zij niet (financieel) mee kunnen doen. Daar besteden we zeker aandacht aan. Bij elektriciteit is er al veel keuze over de herkomst. Bij warmte is dat momenteel nog niet het geval. Als wijkoplossing wordt gemeenten momenteel aangeraden aan om de 'goedkoopste' oplossing te kiezen als alternatief voor aardgas. Als bewoners toch een duurdere individuele oplossing willen kopen (zoals een warmtepomp) zou daar ruimte voor moeten zijn. Uiteindelijke is dit ook een politieke vraag over onderlinge solidariteit en onderlinge verdeling van kosten.

  • Waarom is er in de Concept RES slechts minimaal aandacht voor waterstof?

    Waterstof is geen energiebron, zoals bijvoorbeeld geothermie of aquathermie dat wel zijn. Waterstof wordt gemaakt door energie toe te voegen en water. Waterstof kan worden ingezet voor diverse toepassingen. In de waterstofvisie van het Rijk staan eerst de industrie en het zwaar transport –  genoemd als toepassingssectoren voor Waterstof, en daarna pas personenmobiliteit. Voor de gebouwde omgeving staat dat er eerst een sterke kostendaling en een veel groter volume nodig zijn en dat daarover pas na 2030 een beter beeld  ontstaat. In de waterstofvisie van de provincie worden zes prioriteiten voor waterstof benoemd. Het verwarmen van woningen valt daar niet onder. Wanneer groene waterstof wordt geïmporteerd, kan het ook in onze regio worden toegepast, nadat sectoren die dat harder nodig hebben al voorzien zijn. We weten nog niet of dat qua beschikbaarheid en prijs aansluit bij de warmtevraag in deze regio.